Fout
  • JFTP::login: Unable to login
  • JFTP::write: Unable to use passive mode

Na deel één en deel twee van de documentaire ‘In Turkije’, is het nu de beurt aan deel drie ‘Weg van Europa’ waar Bram Vermeulen naar Irak vertrekt. Dit deel werd uitgezonden op zondag 10 april 2011 en begon met de mededeling van Bram dat hij geprikkeld werd door een “klein onbenullig bericht in de krant dat Gaziantep en Irak weer een treinverbinding hebben.”

In de trein meldt Bram dat de rol van Turkije in de regio te voelen is op dat decenniaoude spoor, dat in het begin van de vorige eeuw werd gemaakt om Istanbul te verbinden met de Osmaanse provincies Syrië en Irak. Het spoor is ongeveer 1600 km lang en was bedoeld om olie uit Irak in Europa te krijgen. Inmiddels is er een eeuw voorbij en het spoor is hersteld, maar ditmaal om Turken naar het oosten te krijgen om de band met de Arabieren te kunnen herstellen. Hiertoe worden er goederen en passagiers vervoerd.

Eén van die passagiers is Adil, zijn vader komt uit Syrië maar zijn moeder is een Turkse uit Gaziantep. Alhoewel hij geboren en getogen is in Syrië, is hij getrouwd in Gaziantep met iemand uit Turkije en woont hij thans daar. In gesprek met Adil, ziet Bram de Turks-Syrische grens: aan de ene kant is er de vlag van Turkije en aan de andere de vlag van Syrië met bijbehorend bilboard van de Syrische president (volgens Bram dictator) Assad. Op dat moment zit Bram Turkse soldaten en zegt hij “En daar staan Turkse soldaten die waarschijnlijk niet blij zijn dat wij nu aan het filmen, daar krijg je nooit permissie voor.”

Dit is toch een ietwat merkwaardige opmerking, want eerder in deze zevendelige documentaire zei Bram in deel één ‘de Vader van de Turken’: “Als correspondent heb je nooit problemen in Turkije, je komt vrij makkelijk aan een perskaart en er is altijd een goedwillend bestuur. Ze helpen je met een glimlach.”  Het geeft aan dat Bram soms het slachtoffer wordt van zijn eigen vooringenomenheid en heersende vooroordelen. Er is namelijk een geheel foutief beeld dat Turkije een streng leger heeft en journalisten onder druk zet. Bram is het levende voorbeeld dat dit niet klopt, want “als correspondent heb je nooit problemen in Turkije.”

Dat Bram soms toch het slachtoffer wordt van zijn eigen vooroordelen, en dit kan volkomen onbewust hoor want in Nederland creëert de media nu eenmaal een anti-Oosters beeld, blijkt als Adil begint te vertellen over zijn ervaringen: “Toen ik 8 en 9 jaar oud was, zag ik hoe mooi Turkije was en wilde ik hier wonen. Ik zei altijd tegen mijn vader dat ik later in Turkije wilde wonen. Als wij familie kwam bezoeken, was er prikkeldraad tussen de grens en ongeveer 200 meter niemandsland [aan landmijnen red.], mensen namen cadeautjes mee die ze over die 200 meter moesten gooien. Soms kwam dat aan bij de overkant van de grens, maar soms bleef het liggen in dat gebied van 200 meter aan niemandsland, behalve als er Turkse soldaten in de buurt waren, die gaven het dan door.”

En wat blijkt nu? Turkse soldaten blijken helemaal niet de enge mannen te zijn waar we allemaal zo veel berichten over binnenkrijgen. Met gevaar voor hun eigen leven, springen ze een mijnenveld in om enkele cadeautjes van een paar euro’s door te kunnen geven. De soldaten weten dat de cadeautjes geen financiële waarde hebben, maar dat het emotioneel gezien belangrijk is voor de mensen. Dit is nu precies waarom er in Turkije zo veel respect is voor het leger; soldaten zijn zeer behulpzaam en vriendelijk. Jammer genoeg wordt er in het westen, met Nederland voorop, veel meer aandacht besteedt aan de onjuiste verklaringen van PKK-terroristen dat ze “onheus bejegend worden door Turkse soldaten”. Alhoewel een enkeling vast wel verkeerd handelt, is het vergrote deel van de Turkse soldaten zeer behulpzaam. Precies zoals Adil aan de levende lijf heeft ondervonden.

Bram was dan ook opvallend verrassend om dit te horen maar praatte er al snel overheen: “Door een wankelend dictatuur als Syrië zat de grens decennialang dicht voor Turkse en Syrische burgers.” Nu verandert dat echter omdat, volgens Bram, “de Turken doorhebben dat toetreding tot de Europese Unie ze nooit meer gaat lukken.” Bram vervolgt dat “Turken naar het oosten kijken, meer dan 50 landen hebben geen visumplicht meer om Turkije binnen te komen. Atatürk zei: ‘Kijk naar het westen, wend je af van het Arabische achterland’, maar de huidige regering doet heel wat anders en oude grenzen zijn aan het vervagen.” Nu weet ik zeker of Atatürk echt letterlijk dat heeft gezegd, maar tussen de regels door kan je dat indirect wel doorgekregen hebben. Dat het erg kort door de bocht is, zijn we ondertussen al gewend van Bram.

Op dat moment ziet Bram een oud opaatje met een vriend van Turkije naar Syrië gaan voor een sterfgeval, het volgende gesprek vindt plaats:
Bram: “Ben jij een Turk?”
Opa: “Nee, Arabier!”
Bram: “En hij?”
De vriend: “Ik ben Turk.”
Opa: “Hij is Koerd!”
Bram: “Wat? Jij bent een Arabier en hij is een Koerd, maar jullie zien vrienden?”
Opa: “Jij bent ook mijn vriend/broeder.” [Arabieren spreken het Turkse woord ‘kardeş’ (broeder) en ‘arkadaş’ (vriend) allebei uit als ‘kardaş’, waardoor er voor een Arabier geen onderscheid is voor die twee termen.]

Dit gesprek laat duidelijk drie dingen zien:

1. Bram heeft duidelijk vooroordelen, waarschijnlijk nog van het tweede deel van zijn documentairereeks waar sommige Koerden hem vol lijken te gieten met anti-Turkse propaganda zoals dat “Turken nooit vrienden worden met Koerden”, en laat die blijken door zijn verbazing duidelijk kenbaar te maken als hij merkt dat een Arabier en Koerd c.q. Turk vrienden kunnen zijn.

2. De vriend bestempelt zichzelf als een ‘Turk’, maar wordt door anderen bestempeld als ‘Koerd’. Dit geeft de situatie in Turkije goed weer. In Turkije is etnische komaf onbelangrijk en mensen worden vrienden op basis van karakter, etniciteit wordt niet besproken. Nu, met de opkomst van buitenlandse interventie waardoor Koerdisch nationalisme steeds meer geprikkeld wordt, verandert dat en beginnen mensen anderen steeds vaker te bestempelen als ‘Koerd’. Dit komt waarschijnlijk omdat ze bang zijn dat ze anders gezien worden als ‘anti-Koerdisch’, omdat ze de achtergrond van hun kameraden niet wensen te benoemen. Dit heeft echter averechte effecten want veel Koerden bestempelen zichzelf als een Turk, dit zien we in deze situatie maar zagen we eerder ook al in deel twee van deze documentairereeks toen de mosselvissers zich “Turk” noemden en dit in de Nederlandse ondertiteling terugkwam als “Koerd”.

3. Er is in Turkije geen sprake van raciale segregatie op basis van etnische of religieuze komaf, vrijwel iedereen kan het uitstekend met elkaar vinden. Er zijn slechts een paar marginale en kleine groeperingen die roet in het eten gooien, maar deze rotte appels (zoals de terreurgroep PKK) mogen het niet verpesten voor de overgrote meerderheid.

Na het gesprek met de opa en zijn vriend, gaat Bram naar een winkelcentrum in Gaziantep en ziet daar de economische bloei. “Elke vrijdag stroomt het vol met Syrische koopjesjagers die komen ruiken aan de Turkse vrijheid.”, stelt Bram. Ondertussen spreekt hij één van de weinige vrouwen met een hoofddoek aan, en inderdaad blijken dat Syrische meisjes. Eén dame zegt “erg blij” te zijn in Turkije en bestempeld de winkels als “hemels”, terwijl ze aan het schaatsen is in het immense overdekte winkelcentrum van Gaziantep waar luxe Turkse merken zoals Beymen pronkt op de bilboards. Bram loopt verder en ziet een groep Syrische meisjes met hoofddoek die stellen “een dag extra nodig te hebben om te winkelen”.

Bram constateert terecht dat “Turkije voor Syriërs is, wat Europa voor Turken is: het moderne leven”, hij dient het alleen wat breder te trekken want het is niet beperkt tot Syriërs. Alle Arabieren, Perzen en Irakese Koerden hebben dat idee over Turkije. Hij vindt een Syrische vrouw in een make-upsalon die wordt opgemaakt door een Turkse vrouw en samen beginnen de vrouwen te vertellen: “in Syrië mogen mannen meerdere vrouwen huwen, in Turkije mag dat al een eeuw niet meer en hebben vrouwen daarom geen angst meer dat hun man met een ander zal thuiskomen.” Ook qua vrouwenrechten loopt Turkije voorop blijkt middels het gesprek: “In Syrië mag een vrouw zonder toestemming van de man niet buiten de deur. Een Syrische vrouw is bedekt, een Turkse vrouw niet en kan met make-up de deur uit. Syrische mannen zijn slecht, daarom komen meisjes uit Syrië naar Turkije voor de Turkse mannen.” Inderdaad blijkt de Syrische vrouw verloofd te zijn met een Turkse man en verklaart dat waarom ze Turks heeft geleerd.

Iets verderop in het reusachtige winkelcentrum vindt Bram een klaslokaal van zakenmensen die Arabisch leren. Hij spreekt de docent aan en die overlaadt Bram met complimenten: “Wat spreekt u goed Turks!” Het geeft het nationalisme in Turkije goed weer, het heeft (met uitzondering van enkele extreme marginale groepen) geen raciale kenmerken. Het is gebaseerd op cultuur en eenieder die bereid is om Turks te leren, scoort hiermee punten en zal worden geaccepteerd in de Turkse maatschappij.

Afijn, de docent verklaart het grote aantal studenten: “In Gaziantep is Arabisch belangrijker dan Engels; er komen maandelijks 20.000-30.000 toeristen uit de Arabische wereld om hier te winkelen. De Arabische wereld ziet Turkije als Europa, voor Arabieren zijn wij Europa.”

Nu besluit Bram om met een Turkse zakenman die spijkerbroeken naar Irakese klanten brengt, mee te reizen. Tijdens de rit vertelt de Turkse man dat “in Europa het geld op is”. Hij vervolgt: “In Europa denken ze dat Turkije zijn gezicht heeft afgewend maar dat is niet zo. Handel is belangrijker geworden. Europa kom je niet in, met dat Schengenvisum enz.; daarom doen Turkse zakenlieden nu liever zaken in het Midden-Oosten, want daar kom je nu wel in.”

Op een rustplek concludeert Bram dat “Turken in eerste instantie vooral koopmannen zijn die dan met de één en dan met de ander willen onderhandelen.” Dan ziet hij “12 rijen dik vrachtwagens één kant” opgaan naar Irak. “Dit is de essentie, het gaat om centen”, overpeinst Bram. Enkele vrachtwagenchauffeurs komen naar hem toe en praten hem wat bij. “Elke dag gaan er 1000 vrachtwagens naar Irak; ze gaan vol daarheen en komen leeg terug. We vervoeren vooral beton/cement etc., want Amerika heeft Irak platgegooid. Erg jammer, maar nu wordt het herbouwd en is er veel cement nodig voor huizen etcetera.”

Aangekomen aan de Irakees-Turkse grens ziet Bram dat het opgezet is door Koerdische soldaten; “in Noord-Irak hebben Koerden hun eigen bestuur, eigen leger en eigen vlag. Decennialang was een Koerdisch regio een gruwelidee voor Turkse politici, maar nu doen ze goede zaken met een dergelijk autonoom Koerdistan in Noord-Irak.” Het is wel jammer dat Bram stelt “Turkse politici” en niet “veel Turkse politici” of “sommige Turkse politici”, want dat zou adequater zijn en de waarheid beter benaderen. Nu lijkt het alsof alle Turkse politici ertegen waren en dat was zeker niet het geval.

Aangekomen in Erbil ziet Bram hoe de stad is getransformeerd. “Zo is het geworden in Erbil, er is een elitebevolking ontstaan. Er is veel geld aan verdient, alles hier is gebouwd door Turken. Als er 1 winnaar is aan de oorlog, dan is het wel het kapitaal.”, aldus Bram terwijl hij spreekt met een succesvolle 25-jarige Turkse bouwondernemer. De gretige ondernemer begint met vertellen, “Wij bouwen alles hier, het staatsziekenhuis van Soran, Masif en Barzan. Alles hier in Erbil wordt door Turken gedaan.”

Bram ziet in hem het schoolvoorbeeld van een Turk: “zelfverzekerd, vriendelijk tegenover buitenlanders maar nooit onderdanig.” De jonge zakenman gaat verder, “Je ziet hier geen Amerikaanse, Italiaanse firma's, alles is Turks.” Op zoek naar de opdrachtgever die Erbil laat herbouwen met appartementen, villa’s, staatsziekenhuizen, bioscopen, theaters etc., vindt Bram een rijke Koerdische oliesjeik. “Olie, gas, delfstoffen, landbouw en veel nieuwbouw. Turkije weet dondersgoed dat wij alles hebben. We zijn een taart, daar willen ze een stukje van. Wij nodigen ze graag uit om een stukje te eten. Turken zijn goede werkers, ze werken hard en precies; het zijn werknemers waar je wat aan hebt.”

Het geeft de situatie goed weer; er zijn oliesjeiken in Noord-Irak die genoeg geld hebben gemaakt met de olievoorraden, maar ze hebben de technologie en kennis niet om wat te doen met het geld dat ze verdiend hebben. Daarom moeten ze opdrachten geven aan buitenlandse firma’s; de reputatie van Turkse werknemers in combinatie met de gretigheid van Turkse zakenmannen om te ondernemen, heeft ervoor gezorgd dat Turkse firma’s nu vrijwel alles controleren in Erbil en Noord-Irak.

Dan volgt er echter een scene in de documentaire die er niet in past, het sluit niet aan op het voorgaande en ook niet op wat erna volgt. Bram gaat naar een kazerne waar bouwvakkers bivakkeren en laat ze het woord doen:

Bouwvakker: “Wij zijn hiernaartoe gehaald door onze dorpsgenoten. Vorig jaar zouden we naar Libië gaan, maar ze wilden ons niet omdat we Koerden zijn. Het is fijn dat we hier werk hebben, maar we zijn ver van onze familie vandaan.”

Bram: “Ik ook, mijn familie is in Nederland.”

Bouwvakker: “Dat is niet hetzelfde. Het hoort bij jouw werk, het is jouw keuze. Wij zijn hier omdat we niet anders kunnen. Thuis hebben we niks te eten. In Turkije steekt niemand een hand naar je uit. Zo is het gewoon.”

De scene erna verhaalt over één van de bouwprojecten die voltooid is door Turkse bouwfirma’s. Wie de bouwvakkers zijn die net klaagden over Turkije, wordt niet vermeldt. Dat is juist een grote discrepantie in de documentaire. Natuurlijk moet de weerszijde van de vele Turkse bouwprojecten ook getoond worden, maar wie de bouwvakkers zijn en waarom ze klagen wordt niet vermeldt. Want meteen heb ik een aantal vragen voor ze:

- Wie zijn jullie dorpsgenoten dan? Een eigenaar van één van de bouwfirma’s of een bouwvakker die van zijn baas meer mensen moest rekruteren?

- Wie zou jullie naar Libië brengen? Weer één van jullie dorpsgenoten of een bouwfirma? Was dit een Turks bouwfirma?

- Waarom is het werk van Bram anders? Hij zou toch ook liever bij zijn familie zijn? Als je liever geen internationale bouwvakker bent, dan kan je toch ook (bijvoorbeeld) boer worden en de hele dag bij jouw familie zijn? Hoezo heb je thuis niks te eten? Cijfers van de Voedselbank tonen dat er in Turkije nog nooit iemand is gestorven aan honger, Turkije staat ver boven dat niveau. Zo heb je in Turkije ook een werkeloosheidsuitkering van rond de 400 TL (omgerekend 200 euro). In Turkije is dat genoeg om een maand lang van te leven als je in een dorp woont, in de stad zou het vrijwel onmogelijk zijn.

- Waarom zeg je dan dat niemand in Turkije een hand naar je uitsteekt? Je krijgt toch een uitkering? En kindergeld? En schoolgeld? Dit zijn voorzieningen die bestaan in Turkije. Als jij hier geen kennis van had (en dus nooit hebt kunnen aanvragen), dan is dit toch meer jouw schuld? Dat had je moeten uitvogelen in plaats van de hele dag te klagen.

- Als niemand een hand naar je uitsteekt, waarom word je dan benaderd door een Turks bouwfirma? Deze had voor hetzelfde geld (of voor veel minder geld), toch ook lokale bouwvakkers in Noord-Irak kunnen vinden?

Wat ik persoonlijk denk, is dat deze Turkse Koerden (want zo profileren zij zichzelf) uitgenodigd zijn om te werken in Noord-Irak door een stamgenoot. Je hebt Koerdische stammen die deels in Irak en deels in Turkije wonen, deze maken veel gebruik van nepotisme om hun eigen stamleden voor te trekken. Eenmaal aangekomen bleek echter dat ze moesten werken voor de Turkse bouwfirma’s die de opdrachten hadden binnengehaald. Door anti-Turkse sentimenten kunnen ze het niet verkroppen dat onder Turkse bouwfirma’s moeten werken in “hun autonoom gebied van Koerdistan” en zijn ze begonnen aan hun tirade. Waarom deze mensen een podium hebben gekregen en wat de meerwaarde is voor de documentaire is mij niet helemaal duidelijk.

Zoals gezegd, verhaalt de scene erna van een prachtig schoolgebouw waar de leerlingen het volgende melden. “Veel van onze docenten zijn Turks, daarom moeten wij Turks leren.” De docent Turks, zelf ook Turks, noemt het “viertalige scholen waar Arabisch, Koerdisch, Turks [of het Turkse dialect Turkmeens red.] en Engels” wordt gesproken.

Het spreekt boekdelen; in Noord-Irak zijn er bijna geen opgeleide mensen dus zelfs de leraren moeten (net als de technologie en kennis om bouwprojecten te realiseren) uit Turkije komen. Bram concludeert derhalve dat “de Turk in de mode is hier”. Een kledingverkoper blijkt Turks en geeft zijn mening erover: “Ze zien de Turken als voorbeeld. We dringen ze niets op; we laten ze allen zien hoe we ons land hebben ingericht. De Arabieren zien ons al als een voorbeeld, ze willen een aangenamer leven. Ze willen vrij zijn.”

Bram bezoekt enkele lokale werknemers en merkt terecht op dat “er veel werkeloosheid is in Irak; er zijn honderdduizend Irakezen dood en alles is kapot, maar buitenlandse bedrijven bouwen het weer op.” Deze bedrijven nemen echter hun eigen werknemers mee, de jonge zakenman van 25 jaar formuleert het als volgt. “Wij hebben 10.000 werknemers. Bijna 95% van onze werknemers is Turk, slechts 5% is lokaal. Dat komt omdat ze hier anders zijn, wij beginnen om 7 uur ’s ochtends en werken soms tot ’s avonds laat. De lokale mensen slapen tot half 9 en houden op met werken om 16 uur precies.” Het is nog enigszins te verdedigen dat de lokale mensen graag terug naar huis willen om hun gezin te zien en dat de Turkse arbeiders zo snel mogelijk het project willen voltooien om na enkele maanden weer terug naar hun gezin in Turkije te kunnen gaan.

Desalniettemin gaat de jonge zakenman verder. “Turken werken snel en keihard. In Europa wordt dit niet erkend, daar hebben ze vooroordelen. Ze vinden Turken lui. Daarom rennen Turken niet meer achter Europa aan.”Hij gaat verder: “We hebben ons uiterste best gedaan om in de Europese Unie te komen. Op sociaal terrein blijven we ons spiegelen aan Europa. De Arabische cultuur is ouderwets en achtergebleven. Zo worden vrouwen bijvoorbeeld achtergesteld. Daarom nemen wij op sociaal, cultureel en mensenrechtelijk gebeid Europa als voorbeeld, maar Europa wil ons niet.”

Tot hier lijkt het een goede documentaire met de merkwaardige uitzondering van klagende arbeiders in een minutenlang durende scene die geen aanknopingspunten had met de scene ervoor of erna. Tot hier zou dit derde deel van deze documentairereeks, na de krappe voldoende en zware onvoldoende en nog een redelijk goed cijfer krijgen van rond de zes (6) en zeven (7). Maar dan sluit Bram de documentaire af met de woorden: “Van de open grenzen met de Arabisch wereld naar de gesloten grens met christelijk Armenië, volgende week.”

Nu duidt hiermee de implicatie op dat de grenzen met Armenië gesloten zijn doordat het land christelijk is, niks is echter minder waar. Het gaat om het agressieve gedrag van Armenië, zoals bijvoorbeeld de invasie van buurland Azerbeidzjan in 1991 en de etnische zuiveringen in de stad Hocalı door middel van massaslachtingen in 1992. Ik reken dit extra zwaar aan Bram omdat hij dit eerder ook al deed in Pauw en Witteman, daar herhaalde hij dat “Turkije de grens met christelijk Armenië gesloten houdt.” Dit heeft er echter niks mee te maken; van een willekeurige bankovervaller wordt toch ook niet vermeldt dat het een ‘rooms-katholieke bankovervaller met groene ogen’ was? Nee, want dat is irrelevant en doet er niet toe in die context. Hetzelfde geldt voor Armenië,nu wil Bram namelijk geheel onterecht impliceren dat Turkije de grens gesloten houdt met Armenië omdat “Turkije anti-christelijk is” of omdat “Armenië christelijk is en Turkije islamitisch”. Dit is echter totaal niet het geval, het gaat om de oorlogsmisdaden en agressieve oorlogsverklaringen van Armenië jegens haar buurlanden.

Hierdoor is mijn eindcijfer toch ook hier weer een zeer krappe voldoende, net als deel één.

 

Reacties   

 
#1 Osman 16-09-2011 19:41
Ik denk dat ze die positieve gedeeltjes erin hebben geplakt omdat het dan wat realistischer lijkt.
 

Login of registreer om een reactie te plaatsen